Alles over Almere Buiten

Keijzertje - Het Molensteegje

15-07-2017

Ruim 32 jaar woonde Otto Normalverbraucher in zijn rijtjeshuis in Almere Buiten. Inmiddels had hij zijn woning laten voorzien van een dakkapel, nieuwe keuken, badkamer en verwarmingsketel. Hij leefde er nog steeds met genoegen.
De achtertuintjes om de zijne heen bleven maar veranderen. Inmiddels zag hij zijn tuin links en rechts afgegrensd door betonnen palen en schuttingpanelen van wel twee meter hoog. Links hadden de buren een veranda laten plaatsen, aan de rechterzijde prijkte een uitbouw van wel drie meter. Indien Otto op een stoel ging staan en over de schuttingen heen keek, zag hij dat men de tuinen verderop had uitgerust met blokhutten, overkappingen, tuinkamers en buitenverblijven.
Vanuit zijn dakkapel kon hij zien dat men hele zitgroepen buitenshuis had neergezet. Loungesets werden die configuraties in reclamekrantjes genoemd.
In hetzelfde tempo waren allerlei bomen en struiken verdwenen. Sommige achtertuinen bevatten geen enkel plantje meer.  
Buitenbarbecues in de vorm van reusachtige, liggende cilinders, vol knoppen, schakelaars, manometers en schoorsteentjes, alsof de resten van stoomlocomotieven waren neergezet.
Stenen bollen, waar water overheen liep. Parasols, die bijna de gehele tuin overspanden.
Spiegels, schilderijen, doeken waarop vakantiefoto’s stonden afgebeeld.  
En overal die schuttingen, soms ruim twee meter hoog.
Men leek na drukke werkdagen zoveel mogelijk privacy te verlangen. Niemand wilde nog buren zien of spreken.
Een reactie wellicht op een steeds hectischer maatschappij, waarin we elkaar meer en meer opjagen.  
Was het om verhuizing naar een grotere woning te vermijden, dat men het woongenot tot in de achtertuin uitbreidde?  
Die tuinmode was aan Otto niet besteed. Zijn 70 vierkante meter achtertuin was de dichtst begroeide van de hele straat geworden. Prachtige bomen en bloeiende heesters omringden een grasveldje. Hij had geen parasol meer nodig, zat indien gewenst in de schaduw van zijn Catalpa. Als instrumentarium stond er slechts een bolbarbecue.
Zijn meubilair bestond uit een houten tafel met vier stoelen. 
Op de erfgrens met de achterburen, die een huis met naastgelegen garage bewoonden, stond een oude schutting van ongeveer een meter tachtig hoog, die nog in redelijke staat verkeerde. Het leek hem een monument uit een andere tijd.
Deze buren waren in het voorjaar begonnen met het verwijderen van alle planten en struiken. Hiertoe bewoog zich grommend en benzinedampen uitstotend dagenlang een graafmachinetje heen en weer. Hierna werd het ondiepe achtertuintje volledig bestraat.
Vervolgens verrees onder fanatiek getimmer een houten bouwwerk van wel twee en halve meter hoog. Otto keek na een week tegen een muur van houten planken aan.
Overbuurman bracht een dag later dakbedekking aan op zijn nieuwe bouwsel.
‘Dag buurman, wat gaat dit worden?’
‘Dit wordt een kapschuur’, verklaarde overbuur, zonder Otto daarbij aan te kijken.  Het bouwsel bleek te bestaan uit een bergruimte en een overdekte zitplaats, overkapt door een schuin dak.
Die zitplaats zou met een zitgroep worden uitgerust.  
‘Maar dan zit je toch gewoon in de schaduw naar je woonkamer te kijken?’, vroeg Otto. Hij schatte dat het tuinmeubilair op nog geen drie meter van de achtergevel zou komen te staan.
‘Ach ja’, klonk het enigszins korzelig uitgesproken antwoord. ‘Het gaat om het buitenidee.’
Met trots vertelde hij Otto dat het tuintje bovendien zou worden voorzien van een buitenkachel, een Boeddhabeeld en een waterelement.
Geen tuinkabouter? Nee, dat zou kitsch zijn,  daar begon overbuurman uiteraard niet aan.
Otto staarde peinzend naar de houten muur, die op nog geen meter afstand van de oude schutting stond. Hij begreep dat hij zijn overbuur nooit meer zou zien, zelfs niet tijdens buitenschilderwerkzaamheden of glasbewassing, want dat werd uitbesteed.
Een onwerkelijk idee.   
Otto besloot deze schutting te voorzien van hoge rekken, waartegen hij wijnranken zou laten groeien. Mooi, weer een plantensoort erbij.  
De pas ontstane doorgang, die tussen de oude schutting en de kapschuur liep, noemde hij het Molensteegje.
Hij besloot er een naamplaatje van te laten maken, dat hij op een zekere nacht tegen de houten wand aan zou schroeven.

 

 

Gilbert Keyzer