Alles over Almere Buiten

Uit de nevels

16-12-2017

Vanwege voorspelde mist verlaat hij bijna een uur eerder dan normaal zijn bed. Inderdaad. De huizen aan de overkant zijn vrijwel onzichtbaar geworden. Zou het rustig zijn op de snelweg naar Lelystad?
Slaapdronken stapt hij de douchecabine in, zet daarna een halfliter pak yoghurt aan zijn mond en smeert zijn bammetjes voor de lunch.
Het is halfzes geweest. Concentreren zo meteen, beveelt hij zichzelf.
De koffie lijkt hem niet te helpen. Hij gaapt zo intens dat zijn kaken er van kraken.
Het schijnsel van de lantaarnpalen bereikt nog maar net de straat. Met een wisser veegt hij zijn ruiten doorzichtig. Voorzichtig rijdt hij naar de Poldermolenweg.
Hij ziet geen enkele andere auto rijden. De lichtstralen uit zijn koplampen onthullen slechts een grijze tunnel.
De busbaan. Hij remt tot stilstand en probeert links en rechts het fietspad af te speuren.
Niemand te zien. Hij trekt op. Uit het niets verschijnt rechts van hem een fietser zonder licht. De man kan zijn auto nog net ontwijken door er achterlangs te schieten. Scheldend fietst hij verder, op weg naar een krantenwijk of de eerste trein.
Van schrik laat hij de motor afslaan. Midden op de busbaan staat de auto stil.
Van links komen twee enorme koplampen op hem af. Hij start, maar de motor wil niet aanslaan.
Nogmaals draait hij de sleutel in het contact om. Ja! De motor doet het! Met gierende banden trekt hij op. Vlak achter hem scheurt de stadsbus voorbij. Hij vraagt zich af of de chauffeur hem wel gezien heeft.
Nu is hij meteen goed wakker ook. Hij rijdt de Poldermolenweg uit, gaat bij de rotonde rechtsaf en rijdt even later op de buitenring. De mist is zo dik, dat hij niet harder dan vijftig durft. Hij wordt ingehaald door een personenauto en passeert op zijn beurt een vrachtwagen. Verder is er nog niemand op de weg. In zijn spiegel ziet hij de vrachtauto bij de eerste rotonde naar rechts afslaan.
De ruitenwissers schrapen over de voorruit, zonder droogte te brengen. Onmiddellijk hechten zich druppels aan de schoongeveegde oppervlakten. 
Uit de nevels die over de middenberm zweven lijken zich grijsbruine vlekken los te maken. Twee reeën of herten, een moeder en een jong zo te zien, rennen de weg op. Het jong weet hij te ontwijken, het schiet voor zijn auto langs, maar de ander, het moederdier raakt hij met de linker voorzijde van zijn auto. Uit alle macht trapt hij het rempedaal in. Slingerend komt de auto in de rechterberm tot stilstand. De motor slaat af. Verstijfd van schrik blijft hij achter het stuur zitten. Wat moet ik doen, vraagt hij zich af. Wat kan ik doen?
Zijn airbag is niet uit het dashboard gesprongen. Hij klikt zijn gordel los en verlaat zijn auto.
Het hert ligt half op de weg, half op de middenberm. De nek lijkt gebroken. Een groot, donker oog staart de nevel in. Zachtjes schuift hij met een voet tegen het lichaam. Maar het dier is dood. Het ligt in een houding die het bij leven nooit aan zou nemen.
Met afgrijzen vraagt hij zich af wat hij zou moeten beginnen indien het hert nog had geleefd. Wurgen? Er nogmaals overheen rijden?
Ineens moet hij denken aan de jaren dat hij in Finland heeft gewerkt. Als een automobilist daar een dier doodrijdt, wordt hij automatisch eigenaar van het kadaver.
Is dat in Nederland ook zo? Hij ziet zichzelf al huiswaarts rijden met het dode dier in zijn achterbak. Met trillende handen belt hij het alarmnummer. Vervolgens trekt hij het kadaver de berm in. Hij steekt de weg over. Besluiteloos blijft bij zijn auto staan. Moet hij wachten of kan hij doorrijden? De schade aan de auto valt mee. Hij hoeft slechts de kunststofbumper er vanaf te trekken en de wielkast een beetje terug te duwen en hij zou weg kunnen rijden.
Hij kijkt naar het braakliggende terrein en het smalle bos daarachter, waar het jong naartoe is gevlucht. Als stoom hangt de nevel over bruine graspollen heen.
Zijn ademwolkjes lijken door de mist uit zijn mond te worden getrokken en er in op te gaan, alsof zo dadelijk zijn eigen geest naar het bos zal zweven.
Van het kadaver in de berm zijn slechts de contouren zichtbaar. Maar het grote, donkere oog van het hert laat hem niet meer los.